De buurt rond het atelier van Jan-Jan Van Essche in Antwerpen-Noord is moeilijk zen te noemen. En toch is het hier, midden in de hustle and bustle van het grootstadsleven, dat de schijnbaar rustigste en meest free-spirited der Belgische ontwerpers al jarenlang zijn pad uitkerft. Van Essche (lichting 2003 van de Antwerpse Modeacademie en de toenmalige winnaar van de Dries Van Noten-prijs) bouwt sinds 2010 aan een oeuvre dat zich weinig aantrekt van de regels van de mode-industrie. Eén zogenoemde collectie per jaar met daarnaast zijn winter “projecten”, gendervrije silhouetten waarin het lichaam de kleren vormt in plaats van omgekeerd, een voorliefde voor natuurlijke materialen en afwerking met de hand. Voor Jan-Jan is traagheid luxe, vakmanschap verzet en zijn obsessieve liefde voor alle soorten ambacht allesomvattend. En ook al heeft hij fans over de hele wereld (waaronder Rihanna en ‘Moonlight’-regisseur Barry Jenkins) en worden zijn collecties verkocht in topwinkels (zoals alle Dover Street Markets), hij ziet zichzelf niet als de grote auteur maar eerder als een doorgeefluik. Als een schakel in een ketting van artisan-specialisten die hij koste wat kost in de spotlights wil blijven zetten. Want, zo zegt hij: “craft can never die.”

Soil

Soil. Film stills: Ramy Moharam Fouad & Jordan Vanschel

Jan-Jan Van Essche: De film stills in dit artikel komen van mijn collectie Soil. We hebben onder die naam ook een nieuw label gelanceerd, een soort koepel waarin we de artisanale stukken meer focus kunnen geven, en vooral ook meer tijd. Elk stuk krijgt een door mij handgetekend label, waarvan ik er net 230 afgewerkt heb. Vanaf nu zal elke collectie één of twee Soil-projecten tellen. Ik start er steeds een aantal tegelijk op en dan kijk ik welke rijp zijn om uitgestuurd te worden.

Het is echt als zaadjes planten en die zien groeien.

Ja, dat is wat mij het meest inspireert. Ik hou de dingen ook graag lang open. In die zin is het handig om alles langer amorf te houden. Tot frustratie soms van mijn directe omgeving. (Lacht) Ik vind de modewereld sowieso al snel genoeg gaan. Mijn ideeën moeten kunnen gisten en ze komen op het juiste moment wel naar boven. Ik heb voor mijn meest recente collectie die ik bij het ter perse gaan net in Parijs getoond zal hebben, bijvoorbeeld ook vormstudies van vijf jaar geleden opnieuw bekeken, omdat ik voelde dat ze opnieuw aandacht verdienden.

Je werkt vaak in Japan, en deze keer ben je er ook langer gebleven. Het lijkt wel alsof je je tijd daar steeds meer gaat rekken.

Een van mijn belangrijkste partners daar is Hiroki. Hij zweeft ergens tussen stofontwerper en agent. Hij rijdt rond langs kleine fabrieken op zoek naar stoffen. Soms verkoopt hij gewoon door wat ze al hebben of kunnen maken, vaak herontwerpt hij ook dingen. Hij heeft maar een handvol klanten. Twee keer per jaar ga ik naar hem toe of komt hij naar Parijs met een rugzak vol samples. Het gebeurt ook dat we tot drie uur ‘s nachts samenzitten als echte fabric nerds. En ja, je hebt gelijk: de droom is natuurlijk om meer en meer in Japan te kunnen werken. Er zijn zoveel straffe ambachtslui. En ik voel mij er ook gewoon goed. Een tijdje geleden heb ik iemand leren kennen die een buitenverblijf heeft in Ohara, niet ver van Kyoto. Hij stelde voor dat ik in zijn atelier kon werken omdat het even leegstond. Die kans heb ik gegrepen en ik heb de hele nieuwe collectie daar ontworpen, in alle rust, tussen de bergen.

Ik wil graag even meereizen. Wat was je routine? Moest je wennen aan het nieuwe ritme?

Natuurlijk was het helemaal anders. Het is ook de eerste collectie die ik helemaal op mijn eentje heb ontworpen. Hier zit ik in de drukte samen met mijn team. Daar had ik tien dagen stilte en concentratie. Wanneer ik in de natuur ben, word ik altijd heel vroeg wakker. In Antwerpen is dat niet het geval, integendeel. Maar daar was ik plots een ochtendmens. Ik maalde mijn koffie, maakte een gezond ontbijt klaar en begon te tekenen. Dan bereidde ik mijn lunch. En dan weer tekenen. Ik heb er veel gekookt. In die streek worden heel veel groenten gekweekt voor de beste restaurants in Kyoto. Ik zat bij de bron, bij wijze van spreken. En dan ’s avonds, als een echte Japanner, een bad nemen.

Icone citation

In Ohara was ik de beste versie van mezelf.

Klinkt zalig.

Ja, een heel rustige routine, op het randje van saai. Maar het was fantastisch, want wanneer heb je anders tijd om zo te leven en werken? Het voelde als vakantie, ook al heb ik hard gewerkt. Toen Pietro (Pietro Celestina, Jan-Jan’s levens- en zakenpartner, nvdr.) na een tijdje afreisde, was ik klaar om hem de hele collectie te tonen. Een muur vol. Maar ik zag zijn gezicht en wist meteen: “Hij voelt het niet.”

Oh, nee!

(Lacht) Dat is ook wel ergens onze dans. We zijn er niet om elkaar de hele dag complimentjes te geven, maar wel om tot de beste resultaten te komen. Meestal is dat meer als een aanhoudend gesprek. Maar deze keer had ik het grotere geheel al uitgewerkt en dus kwam er ook een grotere reactie. Ik weet dat ik dan gewoon diep in en uit moet ademen en vragen moet stellen. Vroeger zou ik me meer gekrenkt voelen. Maar intussen weet ik: hij zegt het niet om mij te pesten. De volgende ochtend was het me al duidelijk: ik moest alles gewoon herschikken. De vormen waren goed, maar de ideeën moesten nog op de juiste manier verdeeld worden.

Dus Pietro is een straffe editor. Belangrijke rol. Wat was het verschil, om zo te kunnen werken?

In Ohara was ik een beetje de beste versie van mezelf. Ik voelde mij heel ‘clean’, heel rustig. Dat is makkelijk op een serene plek, natuurlijk. Maar het was wel fijn om die tijd te claimen. Ik ben ook een halve natuurmens. Ik ben in Antwerpen opgegroeid, maar heb ook veel tijd doorgebracht bij mijn grootouders op het platteland. Ik voel nu dat ik dat deel van mij lang genegeerd heb. Eigenlijk zonder dat ik het wist.

Volgens mij denken veel mensen dat je sowieso al heel artisanaal werkte.

Dat valt eigenlijk wel mee. Ik probeer wel te werken met stoffen die door anderen artisanaal zijn gemaakt. Ik ben dan meer als een doorgeefluik. Ik zal je iets tonen, wacht. (Haalt een stuk uit het atelier.) Deze stof is gedipt in was: die wordt stijf en dan met de hand gebroken. Dat is zo’n voorbeeld van een Soil-project waarbij we samenwerken voor een artisanale stof. We werken ook al langer samen met 7Weaves, een coöperatie van vrouwen in Assam, India die allemaal weven en spinnen met de hand. Er zit dus geen elektriciteit in die stof. Ik probeer elk seizoen één van hun stoffen te gebruiken. Het is altijd een collaboratie, waarbij ik hun technieken met iets anders combineer. Ik ben er ook eens naartoe geweest en het was meteen duidelijk dat ik hen niets moest gaan vertellen: zij weten echt alles van hun stiel. Heel cool, was dat.

Hoe heb jij eigenlijk leren communiceren met mensen van over de hele wereld? Dat is echt een skill in mijn ogen.

Vind je dat echt?

Ja, je maakt toch connecties overal. Dat kan niet iedereen.

Ik denk dat mijn werk altijd eerst voor mij spreekt. Iemand die weeft en mijn ontwerpen ziet, die heeft meteen iets van: “ik ken jou.” Misschien is het ook wel een skill die ik geleerd heb bij de Belgische fabrieken die ondertussen spijtig genoeg allemaal verdwenen zijn. Ik ging in het begin elk stuk zelf brengen en ik stikte mijn eigen prototypes, dus ik wist precies hoe alles in elkaar zat. Als een ontwerper blijkt te kunnen naaien, verandert er iets. Ik gebruik niet altijd de juiste termen, maar ik stel wel de juiste vragen. En heel belangrijk: mensen met een beetje respect behandelen is niet zo moeilijk. Ik vind het ook belangrijk om aan te geven dat ik niet alles alleen doe. In deze industrie ben je een schakel in de ketting.

Het maakt alles ook veel rijker.

Je krijgt ook ruimte voor misverstanden, voor ‘distortion’. Dat maakt het interessanter. Elke collectie is een beetje een struggle. Ik bewonder ontwerpers als Walter (Van Beirendonck, nvdr.), waarbij alles van de eerste tekening tot aan de productie bijna hetzelfde blijft. Bij mij is dat het tegenovergestelde. Mijn stukken krijgen vorm op de patroontafel, bij de fittings, doorheen het hele proces.

Vertel eens wat over de film die je in Japan hebt gemaakt.

Sinds Covid werken we vaker met film, want de kleding vertelt op zich eigenlijk maar de helft van het verhaal. De film is geregisseerd door Ramy Moharam Fouad en gefilmd door Jordan Vanschel. Het idee was: ik wil de Japanse artisans tonen in hun situatie, in hun ateliers, in hun fabriek. Dat is het verhaal dat ik het meest nodig vind om te vertellen. Jonge mensen moeten enthousiast worden gemaakt voor craft, want het sterft uit. Dat is een van mijn grote dada’s, zeg maar. Ik wil daarin bijdragen, dat het opnieuw sexy wordt. Dus elke kans die ik heb om licht te schijnen op zulke ambachtslui, probeer ik te gebruiken. En aan de andere kant wilde ik mensen tonen die mij inspireren. Dat zijn meestal gewoon mensen uit mijn dagelijkse omgeving. Die wou ik ook filmen in hun situatie, in hun huis bijvoorbeeld. Trouwens, ik heb nog een primeur voor jou: we gaan een tweede winkel openen en die zal ook SOIL heten.

Oh, fantastisch!

Vroeger organiseerden we van alles in Atelier Solar Shop, onze eerste winkel: soms was het een restaurant of een galerij en een winkel. Maar stilaan kreeg het meer en meer de vaste vorm van een pure modewinkel. Ik wilde graag opnieuw meer galerie-achtige dingen doen, maar het paste niet meer, dus kwam dat idee van een extra ruimte. Toen onze tentoonstelling liep in MoMu, merkten we ook dat als we zichtbaar zijn in het centrum van de stad, mensen makkelijker hun weg vinden naar Atelier Solar Shop. Dus nu hebben we een kleine ruimte gevonden, een tweede satelliet waarmee we in het centrum ook een uithangbord hebben. Soms zal het gewoon een kijkdoos zijn, soms zullen we events of kleine expo’s organiseren.

Soil

Soil. Film stills: Ramy Moharam Fouad & Jordan Vanschel

Ik vind het geweldig dat je in deze tijden – waarin vele winkels sluiten – iets nieuws opent. Ook omdat je het zo belangrijk vindt om een ‘doorgeefluik’ te zijn en om jongeren te inspireren door de craft te tonen.

Het is ook deels door mijn trips naar Japan gekomen. Daar hebben ze relatief weinig kunstgalerijen, maar wel heel veel wat ze craft shops noemen. Daarin heb je shows, waarbij je bijvoorbeeld een maand lang de werken van een bepaalde ambachtsman of -vrouw kan bekijken en kopen. Je kan iets op bestelling laten maken, en voor de rest is het ‘op is op’. Het is het ritme dat we hier meer van kunstgalerijen kennen, maar dan voor craft. In de tijd dat wij in Europa Picasso hadden, en Dalí, en de salons, en alles wat de kunstwereld hier gevormd heeft, had je in Japan de ‘Mingei Movement’, die geprobeerd heeft om een brug te maken tussen de oude tradities en het industriële tijdperk. In plaats van kunst te maken, maakten ze glaswerk, houtwerk, printwerk… De traditionele ambachten die wij toegepaste kunst zouden noemen. Wij beschouwen een schilderij aan de muur als kunst, bij hen is dat eerder een theekop, bijvoorbeeld. Want: als je iets kan gebruiken, voegt dat net iets extra toe. Je krijgt dan de mogelijkheid tot rituelen, waarbij het allemaal meer deel van het leven wordt. Dat soort dingen wil ik hier meer doen. Het kan zijn dat we mensen uitnodigen voor een residentie, of een selectie vintage of nieuwe objecten van vrienden tonen. Maar belangrijk: het zal geen vast ritme hebben. Schema’s zijn er al genoeg.

janjanvanessche.com