Alexandre Mattiussi, founder en creatief directeur van Ami Paris, startte het ondertussen wereldwijd geadoreerde label door stukken te ontwerpen die hij zelf wilde dragen. Enkele jaren later katapulteerde de doodle die hij als kind al krabbelde en die het officiële logo werd, het merk naar hogere modestratosferen. En nu opent hij wereldwijd winkels volgens de filosofie die hij van thuis meekreeg: door een goede en geëngageerde buur te zijn.
Eigenlijk is het niet verwonderlijk dat de man wiens aanstekelijke energie ik doorheen mijn laptopscherm voel een huis heeft opgericht dat letterlijk vriend betekent. Wat ooit begon als enkel een mannencollectie is ondertussen uitgebreid met een vrouwenlijn en er zijn samenwerkingen met juggernauts als Puma en Moncler, maar ook met kleinere interessante spelers zoals de beroemde/beruchte New Yorkse brasserie Balthazar. Dit jaar wordt Ami Paris vijftien en telt het huis zo’n 75 winkels en 900 medewerkers. Begin december opende de nieuwste flagship: op de Grote Zavel in Brussel.

AMI PARIS STORE IN BRUSSEL – © Ami Paris
Ik was onder de indruk van hoe jullie de stad betrokken bij de roll-out. Er waren interviewtjes met locals en Manneken Pis werd in een Ami Paris outfit gestoken. Hij zag er nooit cooler uit.
“We proberen dat altijd te doen. Als je ergens de nieuwe buur wordt moet je jezelf voorstellen aan de wijk, want we gaan naast elkaar leven. Wanneer een merk ergens neerstrijkt en gewoon zijn eigen ding begint te doen zonder de omgeving erbij te betrekken, dat voelt niet erg elegant. We deden hetzelfde bij de opening van onze flagship in Le Marais en binnenkort gaan we naar Seoul waar we onlangs onze grootste flagship openden en ook daar zullen we connecteren met de community.”
Ik hou niet van ‘fashion’. Ik hou van kleren. Ze zijn persoonlijk, intiem.
Kan je iets vertellen over hoe je opgroeide?
“Creativiteit begint echt in je kindertijd. Sommige mensen verliezen het, omdat ze een bepaalde richting worden uitgestuurd. Maar ik ben altijd aangemoedigd. Ik tekende, ik zong, ik danste, ik speelde met de sjaals van mijn moeder. Ik woonde in een heel klein dorpje in Normandië, omringd door velden, bossen en koeien. Ik zat in mijn slaapkamer, luisterde naar Beethoven en Mozart, en danste. Ik was de kleine Billy Elliot van het dorp. Mijn vader is bijna drie jaar geleden overleden en ik vertelde dit vanochtend nog: Ik had het ongelooflijke geluk om elke ochtend wakker gemaakt te worden door hem. Hij opende de gordijnen en zei: “Bonjour, mon loulou.” En dan kreeg ik ontbijt op bed met warme chocolademelk en brood met boter en confituur. Tot ik op mijn achttiende het huis verliet om naar Parijs te gaan. Ik mis hem enorm. Maar ik ben zo dankbaar. Opgroeien met liefde, gesteund worden in je keuzes – dat voel je je hele leven.”
Je danste als kind, maar uiteindelijk werd het mode
“Eigenlijk was ik niet aangetrokken door de dans zelf. Ik hield van het theatrale, de kostuums, de make-up. Toen ik stopte, voelde mode als iets gelijkaardig. Jean Paul Gaultier was mijn eerste revelatie. L’enfant terrible de la mode. Hij kleedde Madonna, hij had toen al zijn eigen tv-show. Daarna kwam Tom Ford, en dan Prada. Ik was honderd procent zeker: dit wordt mijn wereld. Maar ja, hoe geraak je daar? De jaren ‘90: Geen sociale media, geen connecties. Ik zei tegen mijn moeder: ik wil naar een kunstschool. Zij zei: ik weet niet eens of dat bestaat. (Lacht) Maar we hebben het uitgezocht.”
Je ging uiteindelijk naar de École Duperré in Parijs, en daarna naar Givenchy. Waar heb je het meeste geleerd?
“Studeren was leuk. Mijn eerste vrienden-voor-het-leven, mijn eerste grote liefde en Pierre Hardy als docent. Maar ik heb het vak echt geleerd bij Givenchy. Ik werkte er met Riccardo Tisci, en weet je wat grappig is? Givenchy was toen kleiner dan Ami Paris nu is. Ik denk dat het misschien nu nog steeds kleiner is. Maar ik was niet enkel geïnteresseerd in ontwerpen. Ik liep rond op alle verdiepingen, glipte mee in vergaderingen die niets met mij te maken hadden. Ik luisterde achter deuren. Tot Marco Gobbetti, de toenmalige president, mij betrapte. Hij zei: wat doe je hier? Ik zei: “Sorry, ik ging net een koffie halen.” Hij zei: “Nee nee, kom erbij.” (Lacht) Toen begon ik te begrijpen dat je als modeontwerper alles moet weten. Productie, marketing, financiën. Na Givenchy ging ik naar Marc Jacobs. Ami Paris heb ik gelanceerd op mijn dertigste.”
SONNY VANDEVELDE VOOR AMI PARIS
SONNY VANDEVELDE VOOR AMI PARIS
Hoe begint een collectie bij jou?
“Het start met een klein geluid dat alleen ik kan horen. Ik weet niet waar ik naartoe ga, maar ik heb de melodie. Mijn inspiratie komt ook altijd vanuit een gevoel: is het zacht, is het teder, is het sterk, is het donker, is het licht, is het blauw of is het zwart? En dan volgen de eerste viool, de gitaar, de piano en begint iedereen stilaan in te vallen. Het grote hoogtepunt is altijd het moment van de show. Zes maanden werk. Alles gebeurt met een reden. Maar ik wil het ook niet te ingewikkeld of te intellectueel maken. Daarom praat ik nooit veel over mijn collecties. Dat is mijn taak niet. Mijn taak is om een kledingstuk te maken dat je wil dragen.”
De beroemde A met het hartje. Hoe is dat logo er eigenlijk gekomen?
“Ik ga het je laten zien. (Pakt pen en papier en tekent voor de camera, nvdr.) Toen ik een kind was, tekende ik op al mijn schetsen en brieven een grote A. Met een hart erboven. Dat was mijn handtekening. Twintig jaar later merkte ik dat ik, terwijl ik aan het telefoneren was, nog steeds diezelfde doodle maakte. Ik zei tegen mijn team: misschien is dít iets. De eerste keer borduurden we het op een T-shirt. Nul reactie. Het seizoen erna: gebreid in intarsia op een trui. En toen gingen de klanten in de showroom door het lint. Mijn verhaal is sindsdien veranderd.”
We zullen ons de kleren niet herinneren. We zullen ons de momenten herinneren.
Van in-the-know Parijs merk naar wereldwijd fenomeen. Je maakt ook een onderscheid tussen mode en kleren.
“Ik hou niet van ‘fashion’. Ik hou van kleren. Kleren zijn persoonlijk. Intiem. Je kiest ze elke ochtend. Het hemd dat ik draag heb ik al vijftien, twintig jaar. Ik geef ook altijd kledij cadeau. Een vriend zei laatst: je geeft altijd kleren. Ik zei: wil je dan géén kleren meer? Hij zei: nee nee, ik wil kleren. (Lacht) Ik wil eigenlijk niet herinnerd worden als modeontwerper. Ik ben een modeontwerper. Maar eerste en vooral ben ik een zoon, een vriend, een geliefde, af en toe een hartenbreker, soms een goede baas, soms een slechte. Ik wil herinnerd worden als iemand die aardig was, grappig en vriendelijk. Mijn mantra is altijd geweest: the best is yet to come. Maar eigenlijk is het beste hier en nu. We zullen ons de kleren niet herinneren. We zullen ons de momenten herinneren.”